Getuigen aan het woord

Wat is er geworden van de patiënten die in de catastrophalen nacht van 21/22 januari [1943] zijn weggevoerd? De geruchten hieromtrent doen niet zoveel goeds verwachten en er is helaas maar al teveel reden om te vermoeden dat deze geruchten de waarheid bevatten.

-Jacques Lobstein, september 1944, een document over een naoorlogs herstart van het Apeldoornsche Bosch. Bron: Stadsarchief Amsterdam.

In de beschouwingen meen ik voorzichtigheidshalve rekening te moeten houden dat een deel van hen nog terugkeert. Daar een oordeel over hun aantal totaal uitgesloten is, zal ik dit aantal door de letter x voorstellen.

-Jacques Lobstein, september 1944, een document over een naoorlogs herstart van het Apeldoornsche Bosch. Bron: Stadsarchief Amsterdam.

Een van de agenten, half in het portaal: ‘Woont hier Arthur Israël Durlacher, zijn echtgenote Erna Sara Durlacher geboren Solomonica, zijn zoon Gerhard Israël Durlacher, mevrouw Ilse Sarah Maltenfort geboren Solomonica, Hans Israël Fleischmann en Herman Israël Feiner?’ Een overbodige vraag die voor mij iets dreigends en tegelijk lachwekkends had.

-Uit: 'Strepen aan de Hemel' door G.L. Durlacher , hij verloor zijn ouders

Hoofd verborgen achter de staldeur zie ik hen staan. In rijen van vijf, maar nog niet in het gelid, honderden vrouwen, zwijgend wachtend met uitdrukkingsloze gezichten, in kreukelige kleding, doeken om het hoofd. Mijn ogen verslinden de rijen. Tot ze bij het blauwgrijs gemêleerde wollen gebreide jasje van mijn moeder tot stilstand komen. Mijn blik schreeuwt naar haar en haar hart hoort mij.

-Uit: 'Strepen aan de Hemel' door G.L. Durlacher, hij verloor zijn ouders

Ik woonde met mijn ouders op de Cereslaan 4. Hartog was een kleine, gezette man. Henriëtte was een ‘pittige’ en pientere dame. Het was een vriendelijk echtpaar.  Ik herinner mij dat hun dochter Willy onderwijzeres was en op een bepaald moment Joodse kinderen onderwijs heeft gegeven bij haar thuis. Die kinderen hadden op gezette tijden speelkwartier. Het zou telkens gaan om een ‘klasje’ van zo’n zes á acht kinderen.

-Voormalige buurjongen, geboren in 1932

Ik herinner mij nog dat op een dag Henriëtte met een palm plant bij ons voor de deur stond, mijn moeder deed de deur open. Henriëtte vertelde ons dat zij en haar gezin een tijdje zouden weggaan; of wij als buren voor de plant wilde zorgen, ze zouden hem later weer komen ophalen. Over mijn buurjongetje Herman, die zeven jaar ouder was, herinner ik mij dat hij mij zo nu en dan op de fiets meenam. Ik mocht dan van Herman op de stang plaatsnemen.

-Voormalige buurjongen, geboren in 1932

Gisteravond kwam de heer Aus der Fünten met een groote troep SS mannen binnen. Hij deelde mij mede dat alle patiënten weggevoerd zouden worden naar een lazaret in Duitschland, dat de leiding van de inrichting door hem zou worden overgenomen. Het verplegend personeel zou in Nederland blijven. Pogingen om zwaar zieke en niet transportabele patiënten achter te kunnen houden, mochten niet gelukken, alles moest mee. Bron: NIOD

-Jacques Lobstein (1883-1945)

Hoe het ons te moede was dat wij onze patiënten zoo in den steek hebben moeten laten, kunt u u indenken. Zoo juist hoor ik dat nog een aantal van ons verplegend personeel is aangewezen om met het transport patiënten mee naar Duitschland te gaan, waaronder ook mijn zoon Frits. Het is mij moeilijk mijn gedachten te dienen op het oogenblik. Bron: NIOD.

-Jacques Lobstein (1883-1945)

Met dank aan:.